Hoofdstuk 1
‘Russen moet je nooit vertrouwen’
“Jaren geleden ben ik eens naar Sint Petersburg gegaan, met een cruise. Ik had mijn moeder meegevraagd. Ik zie nog haar gezicht voor me toen ik het vroeg. ‘Je denkt toch niet dat ik dáár naar terugga’ zei ze vol afschuw.
Mijn moeder heeft haar leven lang een hekel gehad aan Rusland. ‘Russen’ zei ze ‘moet je nooit vertrouwen.’ Verder heeft ze nooit willen praten over die tijd daar.
Dus zal ik het nu doen. Voor zover ik dat kan natuurlijk, want er is veel dat ik niet weet.
Ik ben Irma Boogaard-van Wijnen. Ik ben de dochter van Willem en Irma, kleindochter van Woldemar en Cato, moeder van Guus, Rob en Erna, grootmoeder van Bas, Pien, Iris, Bart en Dirk, bonus-oma van Koen en Florine, overgrootmoeder van Donna en weduwe van Ernst Boogaard.
Ik ben 98. En ik wil nu, in dit voorjaar van 2026, het verhaal van mijn familie vertellen nu ik het nog kan.

“Ik ben 98. En ik wil nu, in dit voorjaar van 2026, het verhaal van mijn familie vertellen nu ik het nog kan.”
Het is een verhaal over oorlog en vrede, over vluchten en thuiskomen, een verhaal waarin de dood vaak naderbij sloop, maar ook een verhaal over doorzettingsvermogen en de moed om opnieuw te beginnen met niks.
Mijn grootouders woonden in Sint Petersburg. Dat was toen de hoofdstad van Rusland. Mijn grootvader heette Woldemar, voluit Woldemar Johann Ferdinand Fesell, hij was geboren op 13 december 1871 en zijn familie woonde al drie generaties lang in Rusland. Mijn oma, Cato Klikee, was precies vier jaar en één dag jonger dan haar man. En zij was Nederlandse.
Ze hadden elkaar ontmoet toen Woldemar op zijn 18e naar Nederland was gegaan om te studeren aan het conservatorium in Den Haag. Hij wilde per sé een Hollands meisje als vrouw, hij had niets met Russische dames.
Ze trouwden in Rotterdam, hij was 25 en zij 20 jaar, en trokken na hun huwelijk weer naar Sint Petersburg, waar ze in welstand leefden en drie kinderen kregen: Cato, Jan en op 16 maart 1905 werd Irma geboren- mijn moeder.
Mijn grootvader was concertpianist en werkte als tolk. Hij sprak vele talen: Russisch, Nederlands, Engels, Frans, Hongaars en Roemeens. Behalve het huis in Sint Petersburg bezaten ze een buitenhuis in het zuiden van Finland, dat toen nog Russisch grondgebied was.
Ze hadden een goed leven. Sint Petersburg was toen dé culturele hotspot. De tsarenfamilie woonde er in het prachtige Winterpaleis. Er waren musea, concerten, een drukbezochte bibliotheek en het artiestencafé De Zwerfhond zat iedere dag stampvol. Cato, Jan en Irma gingen naar een speciale Franse school. Frans was toen de taal van de gegoede burgerij.
Maar het was al lange tijd onrustig in Rusland. Er heerste extreme armoede en het volk kwam in opstand tegen het tsarenregime, dat onbeperkte macht had. In 1915, mijn moeder was toen 10 jaar oud, werd het Winterpaleis bestormd door de Bolsjewieken.
Dat was de eerste fase van de Russische revolutie. Iedereen die rijk was, moest vrezen voor zijn leven. Twee jaar later zou tsaar Nicholaas met zijn hele gezin worden geëxecuteerd en zou Lenin de macht overnemen.
Maar mijn grootouders hebben deze ontwikkelingen niet afgewacht. Zij zijn in 1915 gevlucht, via familie in Roemenië naar Den Haag. Ze moesten alles achterlaten. Mijn moeder nam alleen haar hondje mee in een tas.
Zie je deze ring? Dit is een kopie van de ring die zij uit Rusland mee had genomen- haar echte ring is zij helaas kwijtgeraakt.
Mijn moeder was 12, toen ze in Den Haag aankwam. Ze sprak geen woord Nederlands, alleen Russisch en Frans, en ze is het Nederlands nooit echt machtig geworden.
In Nederland begon een totaal ander leven. Irma ging niet meer naar een Franse school, maar naar een huishoudschool, waar ze leerde koken en breien. En ze woonden niet meer in een groot huis, maar in een smalle straat in de buurt van de Laan van Meerdervoort.
En ze hadden niets meer.
Mijn grootvader Woldemar had geen concertvleugel meer. Om geld te verdienen is hij toen cactussen gaan verzamelen, waar hij foto’s van maakte en vervolgens inkleurde. Ik herinner me die tafels vol cactussen nog goed. Het was armoe troef.
Mijn moeder kon niet goed aarden in haar nieuwe land. Ze was muzikaal. De familie had een balalaika mee weten te smokkelen uit Rusland en Irma meldde zich met dat instrument aan bij een orkestje. En in dat orkestje speelde een jongen piano. Willem heette hij, Willem van Wijnen.

“Het was liefde op het eerste gezicht.”
Het was liefde op het eerste gezicht.
Hij was zo’n jongen met een absoluut gehoor en was heel graag naar het conservatorium gegaan, maar hij kwam uit een gezin met acht kinderen, dus daar was geen geld voor. Zijn vader was horlogemaker en had een klokkenwinkel in Scheveningen waar hij van die grote staande klokken verkocht.
Willem werkte bij een bank, maar dat vond hij maar niks. Liever zou hij naar Indonesië gaan, iets wat zoveel generatiegenoten deden. Indonesië was toen een Nederlandse kolonie en werd Nederlands-Indië genoemd, een ook wel ‘De Oost’, of ‘Ons Indië’. In dit verhaal noem ik Indonesië: Indië.
Dus toen Willem drie maanden na hun eerste ontmoeting vertelde dat hij een advertentie had gelezen van de Koloniale Bank, waarin mensen werden gezocht om plantages aan te leggen, vroeg hij of ze mee wilde naar Indië.
Irma hoefde niet lang na te denken. Ja!
Op 9 juni 1926 trouwden ze in Rotterdam, en nog datzelfde jaar stapten ze op de boot naar de Gordel van Smaragd. Daar begon hun nieuwe leven, waarover in de volgende hoofdstukken meer.
Maar nog even dit:
Dat bezoek aan Sint Petersburg, waarover ik in het begin van dit hoofdstuk vertelde, was destijds geen succes. Ik had me er veel van voorgesteld, maar het viel enorm tegen.
De huizen waren donkerbruin en lelijk. Het huis waar mijn grootouders hadden gewoond was een winkel geworden, de buitenkant was vies en had net zo’n bruine aanslag als de andere huizen.
De rámen waren niet eens gezeemd.’’