Hoofdstuk 4

Naar Nederland:
‘Hongerwinter? Maar één hongerwinter?’

‘’Ik weet nog dat we in vrachtwagens naar Soerabaja werden gereden. Wat een blijdschap! We zijn toen bij de Chinees gaan eten en alles was lekker, álles.

Maar intussen was er een onafhankelijkheidsstrijd losgebarsten. De Bersiap. Dat betekent ‘Wees paraat’ en het was een uitspraak van Sukarno. Hij had Indonesië op 13 oktober 1945 onafhankelijk verklaard en de jonge, pas bevrijde natie wilde zich voor eens en voor altijd ontdoen van koloniale overheersing. Bunuh Belanda! Dood aan alle blanken!

‘s Nachts zwierven grote groepen jonge Indonesiërs door de straten, op zoek naar witte Nederlanders.

Wij hebben toen drie maanden lang onder het bed gelegen.’’

KADER: Een tijdgenoot beschrijft hoe angstig deze Bersiap-periode was: ‘Zodra het donker werd, trokken de extremisten de straat op. Ze sloegen met stokken tegen lantaarnpalen om aan de anderen te laten weten in welke straat ze zich bevonden. Waar blanken woonden, werd haltgehouden. Als die gevonden werden, werden ze gedood. Een keer stopten ze bij ons huis. We zijn toen halsoverkop door de achterdeur naar buiten gevlucht, de maanverlichte tuin in.’

‘’Na angstige maanden zijn we in een met zeil overdekte vrachtwagen gestapt die ons naar de haven bracht. Er waren vier vrachtwagens in totaal. Onze vrachtwagen was de enige die veilig aankwam, alle andere vluchtelingen waren onderweg vermoord.

We zijn met een vliegdekschip naar Singapore vervoerd. Daar kwamen we weer in een kamp terecht, van het Rode Kruis ditmaal. Daar werd uitgezocht waar mogelijk nog familie zat.

Wij hadden de hoop om onze vader terug te zien een beetje opgegeven. We hadden al heel lang geen bericht meer van hem gehad en van die schaarse briefkaarten waren niet wijzer geworden. Zou hij nog leven? We wisten het niet. Ik had een lieve moeder en een lieve vader, maar hij had niet zo’n sterk karakter als zij.

En op 5 december, wie kwam daar aanlopen aan het begin van de avond? Bruin, mager, bijna onherkenbaar, en toch…

Was het…

‘Dat is jullie váder!’ schreeuwde mijn moeder. We vielen hem om de hals, dolblij, huilend en lachend tegelijk. Mijn 9-jarige broertje stond het allemaal verbaasd aan te zien. En hij zei: ‘Wie is die meneer?’

Bijna achttien was ik inmiddels, en ik wilde iedere avond wel dansen met de militairen in Singapore. De foxtrot, de quickstep, de slowfox, heerlijk. We hadden geen leuke kleren of zoiets, dat was in mijn ogen totaal onbelangrijk geworden, ik had in het kamp vaak gewoon in mijn bh en broekje gelopen.

Ik was niet voorgelicht, mijn moeder ging altijd mee naar de dansavonden in de soos. Daar zaten de meisjes dan in een kring en de ouders zaten in een kring daaromheen. En dan werd je gevraagd. Ik werd vaak gevraagd. Mijn moeder trouwens ook. Ze was maar twintig jaar ouder dan ik hè. Er was één militair die meer wilde dan dansen, die wilde met mij in een auto ergens naartoe, maar dat vond ik niks.

Dansen. Dat wilde ik.

Op zeker moment, maart 1946, konden we weg. We stapten aan boord van het stoomschip de Melchior Treub en gingen terug naar Nederland. Het was een fijne reis. We sliepen in hangmatjes. Heel gezellig. Edgar Vos was er ook bij, en zijn moeder. Zijn broer Henk niet. Die was doodgemarteld in het mannenkamp bij Semarang. Een heel verdrietig verhaal, dat hij hier vertelt.

“Dansen. Dat wilde ik.”

We kwamen in april aan in Amsterdam en trokken in bij tante Jeanne in Santpoort, maar dat werd als snel te krap. Een van mijn ooms, een juwelier, had een onbewoonbaar verklaarde woning in Scheveningen gekocht en daar streken we neer.  ’s Morgens werden we wakker met ijspegels op de dekens.

Gek, toch hadden we het nooit koud. We gingen naar school met blote benen, ook in de winter. Pas na een jaar vonden we dat toen wel wat fris worden.

Soms gingen we op familiebezoek. Dat vond ik nog steeds één grote verschrikking. Ik vond de Nederlanders een beetje dom in die tijd. Ze vroegen niets aan ons, waren niet geïnteresseerd in wat we hadden meegemaakt en begonnen direct over hun eigen oorlog. Dan hadden ze het altijd over ‘de hongerwinter.’ En ik dacht: ‘Een hongerwinter? Eén hongerwinter?’ En dan zei ik niets. Maar ik dacht des te meer.

We gingen natuurlijk ook naar school. Ik had in Indië een half jaar lang op het lyceum gezeten, dus ik werd naar de Thorbecke-hbs gestuurd in Den Haag. Ik kon met mijn vooropleiding eigenlijk alleen maar in de eerste klas beginnen, maar daar zaten jongens van 12, 13 jaar. De directeur plaatste mijn zus en mij in de vierde klas, waar we met bijlessen zouden worden klaargestoomd voor de vijfde klas, het examenjaar. Wat we wilden, vroeg hij, een makkelijk of een moeilijk examen?

Tja, als je 12 bent, moet je naar school. Als je 18 bent, wíl je naar school. En wij wilden studeren. Dus ja, we kozen voor het moeilijke beta-examen.

Mijn zus en ik zaten vaak tot 2 uur ‘s nachts te studeren, we sliepen twee jaar lang heel weinig, maar we haalden het. In 1948. Ik met één onvoldoende. Voor Frans, nota bene. De taal van mijn moeder. Maar ja, ik heb nou eenmaal niet zo’n talenknobbel.

In 1947 waren onze ouders terug naar Indië gegaan. Ondanks de onlusten ging het bedrijfsleven daar zoveel mogelijk door. De Koloniale Bank, die nu Cultuurbank NV heette, bleef bezig met het ontwikkelen van plantages, er was hoop dat de orde zou worden hersteld en ‘Ons Indië’ opnieuw zou worden opgebouwd.

Mijn vader vertrok eerst, toen mijn moeder met mijn broertje. Mijn zus en ik bleven in Nederland om onze opleiding af te maken. We werden ondergebracht in Voorburg, bij een kennis van onze vader, die directeur was van de Twentse Bank; tegenwoordig ABN-AMRO.

Hij en zijn vrouw waren streng gereformeerd. Op zondag mocht je niets, niet eens je haar wassen. Elke zaterdag moesten wij onze eigen was doen. We sliepen op een ijskoude open zolder, in een smal tweepersoonsbed; een twijfelaar heette dat. Het was een alleszins kille omgeving.

Op de HBS had ik intussen een leuke jongen ontmoet. Ernst heette hij. Ernst Boogaard. Hij was niet zo kinderachtig als de andere Nederlandse jongens en zijn vader was half-Indonesisch. Ik voelde me direct aangetrokken door de sfeer binnen zijn familie. Het was er warm en gezellig, er was lekker Indisch eten…

Ik kwam thuis, zo voelde het. Ik kon ook voor het eerst mijn eigen oorlogservaringen kwijt.

Ernst wilde op zeker moment wel eens zien waar ik woonde. Dus nam ik hem mee op een zondag - een zóndag- en toen we de hal binnenliepen hoorden we dat er visite was in de woonkamer. Dus ik zei: ‘Loop maar mee naar boven.’

Dat werd ontdekt en nou, dat liep dus niet goed af. Schánde! Wat ik wel niet dacht! In hún huis, onder hún dak!

Toen heb ik tegen mijn zus gezegd: ‘We gaan hier weg. Nu.’ Ja, ik vond het allemaal zo hypocriet. We liepen zo de deur uit, gewoon in de kleren die we aanhadden, met alleen onze schoolboeken als bagage.

Ik wist dat er een lieve familie in Voorburg woonde die ook in het kamp had gezeten. De familie Van der Waaij. Daar zijn we ’s avonds naartoe gegaan, belden aan en deden ons verhaal. We werden met open armen ontvangen.

Maar na een tijdje bleek dat huis toch te klein en te vol, dus daar konden we niet blijven. Maar waar moesten we heen?

“Op de HBS had ik intussen een leuke jongen ontmoet. Ernst heette hij.”

We hadden een oom die getrouwd was met een dochter van een zendelingenechtpaar in Wassenaar: de familie De Vries. Toen zij hoorden van onze penibele situatie zeiden ze: we willen jullie graag in huis als jullie wat karweitjes voor ons willen doen. Boodschappen, kolen scheppen, helpen met de was. Dus dat deden we. Het waren hele lieve mensen. Zij woonden vlak bij de ouders van Ernst, dus wel konden elkaar vaak zien, maar we gingen bijna nooit uit, er was te veel huiswerk.

Ik kon geen artsenstudie doen, het was te duur, dus daar zag ik vanaf. Na mijn diploma volgde ik een analistenopleiding in een Leids ziekenhuis. Ik wilde graag in een laboratorium werken, al die grote ingewikkelde apparaten, dat leek me geweldig interessant.

De directeur van het lab had een Japanse moeder. Hij hield me in het vizier, en ik vertrouwde hem niet. Als hij lachte, lachten zijn ogen niet mee. Hij wilde me in vaste dienst, iedereen zei, dat moet je doen, maar ik heb ervoor bedankt. Ik had een niet-pluisgevoel. Dat gevoel is heel sterk ontwikkeld bij mij.

Ernst ging landbouwkunde studeren aan de Landbouwhogeschool, tegenwoordig de universiteit van Wageningen, en toen ik mijn opleiding in Leiden had voltooid, ben ik hem naar die stad gevolgd.

Ik vond werk als medisch analiste in een ziekenhuis in Bennekom dat vroeger een sanatorium was geweest. Daar heb ik het enorm naar mijn zin gehad. Er lagen veel patiënten die uit Indië naar Nederland waren gekomen. Daar had ik een goed contact mee want ik sprak toen nog goed Maleis.

Het studentenleven in Wageningen was erg leuk. Ik woonde op kamers bij een jong echtpaar dat vaak op reis was en dan pasten Ernst en ik op hun huis. Ik weet nog dat ik van mijn eerste salaris een Zweeds servies kocht. Ik heb ’t nog. Ik vind het nog steeds mooi.

Ernst en ik trouwden in 1956, in Wassenaar, op 28 januari. Ik wilde niet in het wit. Ik was naar de Bonneterie geweest, een dure dameskledingzaak in Den Haag, maar daar hadden ze niets geschikts voor mijn maat 36. In een winkel voor kinderkleren vond ik uiteindelijk een kort lichtgrijs jurkje met een petticoat. Een beetje ‘New Look’, dat was toen de mode.

Mijn bruidsjapon.

We zouden ook op huwelijksreis door Nederland. Maar eind januari sloeg het weer ineens om. We vertrokken ’s morgens met redelijk zacht weer, maar op de Afsluitdijk  begon het te vriezen. Stapvoets reden we verder in ons autootje zonder verwarming. Er stak ineens een enorme sneeuwstorm op, we moesten kijkgaatjes maken in de ijslaag op de voorruit. Het was ineens bitterkoud. Bij Apeldoorn had ik het wel gezien. We zijn daar nog een nachtje in een hotel gaan slapen en toen was de huwelijksreis voorbij.

Die winter van 1956 was de op een na ergste koudegolf van de twintigste eeuw. Zoals hier te lezen. 

Mijn ouders waren speciaal voor ons trouwen weer naar Nederland gevaren. Ze arriveerden in Genua. Ernst en ik zijn ze toen in een gehuurde VW Kever, dwars door Duitsland, tegemoet gereden.

Ze waren net op tijd weer in ons land, want Sukarno zou op 5 december 1957 -‘Zwarte Sinterklaas’- alle Nederlanders staatsgevaarlijk verklaren. Vele Nederlanders en Indische Nederlanders stapten toen op de boot naar Nederland. Het was te gevaarlijk om in Indië te blijven.

Ik was getrouwd, en moest daarom ophouden met werken. Dat was in die tijd zo. Maar mijn baas zei: hou je witte jas maar aan. Ze waren blij met mijn werk en het feit dat ik als enige dat taal van de Indische patiënten sprak, werkte ook in mijn voordeel. Zelfs toen ik zwanger was van mijn oudste zoon Guus, werkte ik door. 

Langzaam maar zeker begon ik aan dit nieuwe leven in Nederland te wennen.

En nu, op mijn 98ste, voel ik me hier: senang.’’

Een beeld zegt meer dan duizend woorden…

Hoofdstuk 1

Russen moet je nooit vertrouwen

Hoofdstuk 2

Tempo Doeloe; mijn jeugd in Indonesië

Hoofdstuk 3

Het kamp: ‘Buigen moest je, zo diep mogelijk’

Hoofdstuk 5

Epiloog:
Het is mooi geweest