Hoofdstuk 2
‘Tempo Doeloe; mijn jeugd in Indonesië’
‘’Ik ben geboren op 27 december 1927 in Pagar Alam, op Zuid-West Sumatra. Mijn ouders, Willem en Irma, waren toen een jaar in Indië. Mijn vader werkte voor de Koloniale Bank, die de aanleg van plantages financierde. Het was mijn vaders taak om die plantages te ontwikkelen, te beheren en personeel aan te nemen. Dat betekende dat hij overal ingezet werd en vaak moest verhuizen.
Pagar Alam was hun eerste standplaats, en toen ik drie maanden oud was, vertrokken we alweer. We hoefden nooit huisraad mee te nemen, de nieuwe huizen waren altijd gemeubileerd. We hadden dus geen verhuiswagens vol dozen, maar we trokken in smalle houten prauwen over de rivier de Mussi naar Palembang- mijn moeder was er niet gerust op, maar we bereikten de stad in goede orde.
Van Palembang ging het naar Bandoeng. Daar hebben we 5 jaar lang gewoond. Mijn zus Elly werd daar geboren.
Bandoeng werd ook wel het ‘Parijs van Java’ genoemd, het was een stad met Europese allure, vol gebouwen in de toen zo moderne stijl van architect Frank Lloyd Wright. Op een filmpje ‘Mooi Bandoeng’ van het Eye museum krijg je een indruk van het Bandoeng van toen. Je ziet de bibliotheek, het Pieterpark waar de belanda’s rustig rondkuieren, de sterrenwacht, de pasar waar vrouwen in sarong en kabaja hun marktwaar verkopen, en het ‘prachtig Hollandsche stamboekvee’ op de grazige weiden bij Lembang.
Wij woonden aan de Gunturlaan, in een witte villa met voorgalerij. We hadden veel bediendes. Twee daarvan, Kokki en Djongos, zouden ons door heel Indië volgen. Kokki kookte, Djongos verzorgde het huis.
Zij hadden zelf geen kinderen. Kokki was als een moeder voor me. Ze was klein en mollig, heel prettig om tegenaan te zitten. En ze sprak Soendanees met ons.
Kokki kon heerlijk koken. En ze stond vaak met mijn moeder in de keuken. Ze leerde mijn moeder Indonesisch koken, en mijn moeder leerde haar de Europese keuken kennen. Dat moest ook wel, want mijn vader lustte geen hap Indisch eten. Hij wilde alleen aardappelen en vlees en stamppot tussen de middag.
Ik hield er juist wel van. Saté Ajam vond ik het lekkerst. Ik at al om 11 uur smorgens met de bediendes mee en daarna weer om 16 uur. Ik vond het allemaal heerlijk, mijn zus was een slechte eter, maar ik was net een vuilnisvat.

“Kokki was als een moeder voor me. Ze was klein en mollig, heel prettig om tegenaan te zitten.”
Eens in de zes jaar kreeg mijn vader een half jaar verlof. Dan konden we op familiebezoek. Ik was zes jaar toen we in Batavia voor het eerst op de boot naar Nederland stapten. Een maandlang was je onderweg.
Het was erg fijn op die boot. We waren zo vrij als vogeltjes, er waren heel veel kinderen waar je kattenkwaad mee uit kon halen, dus we waren alleen met eten present.
Onder die kinderen waren Henk en Jan Vos. Onze ouders waren bevriend. Jan Vos speelde altijd met poppen, waar hij kleertjes voor maakte. Jaren later zou hij zich Edgar noemen. Hij werd een van de meest toonaangevende modeontwerpers van Nederland.
We hebben contact gehouden tot zijn dood, in 2010. Ik heb nog een pak van hem, een broek met een jasje met zo’n flodderkraag. Ik heb het nog. Hier draag ik het jasje. Het past nog steeds. Zie je?
De reis naar Nederland was geweldig, we voeren naar Genua om vervolgens per trein verder te reizen. Práchtig vond ik die besneeuwde bergtoppen in Zwitserland.
Maar Nederland zelf, daar vond ik niet veel aan. Ik herinner me veel familiebezoek waarbij wij als kinderen voornamelijk netjes op onze stoelen moesten zitten. De grote mensen hadden het alleen maar over hun eigen Hollandse zaken. Ik vond alleen tante Jeanne leuk, de jongste zus van mijn vader. Haar man was ook uitgezonden naar Indië, maar daar was hij overleden aan malaria.
Ik was blij toen we naar Indië teruggingen. Mijn vader werd weer naar Sumatra overgeplaatst. Naar Talu. Vond ik fijn. Ik vond Sumatra veel leuker dan Bandoeng, veel avontuurlijker. We woonden echt in de rimboe.
Het huis had geen muren. Ik sliep met mijn zus in een kamertje van gaas. Dat hadden onze ouders voor ons gemaakt, zo hadden we toch een eigen slaapkamer.
Talu, daar was het heel warm. We hadden een zwembad naast het huis, nou ja… zwembad… het was meer een modderige waterpoel, daar leerde onze vader ons zwemmen.
Het was een idyllische, maar ook een beetje een eenzame tijd. Op de koffie-en theeondernemingen woonden weliswaar allemaal kinderen in de kampongs, maar daar mochten wij niet mee spelen. Wel van mijn ouders, maar niet van de inwoners daar. Zodra wij eraan kwamen, haalden ze hun kinderen naar binnen. Wij snapten het niet. Vonden ze ons te hoog in rang of zo?
Dus ja, wat deden we. We speelden met spelletjes die werden opgestuurd uit Nederland. Domino, kwartet, we speelden veel buiten, klommen in bomen. We mochten niet ver van huis, vanwege de tijgers.
De meeste Hollandse kinderen gingen, als ze ouder werden, naar een internaat in Nederland. Maar dat wilden onze ouders niet voor ons. We kregen thuis les van onze moeder in een speciaal daarvoor ingerichte kamer. Taal, rekenen, schrijven- ik hield van schoonschrijven. Geschiedenis en aardrijkskunde kregen we ook, met van die blinde kaarten zodat je alle plaatsen van Groningen uit je hoofd kon leren.
Ik hield ook erg van rekenen. En omdat onze moeder in de Franse taal was opgegroeid, leerden we ook goed Frans spreken.
Voor mijn moeder hadden die lessen aan ons een voordeel: zij leerde zichzelf daardoor beter Nederlands spreken.

“Het was een idyllische, maar ook een beetje een eenzame tijd.”
Eens in de maand, op zondag, hadden onze ouders vrij. Dan werd er getennist en daarna gegeten. Overal in de buurt waren tennisbanen. Het zoontje van onze Javaanse dokter zat op tennisles, wij mochten dan alleen maar de ballen rapen. Dat vond ik heel sneu voor ons.
We woonden een jaar op Sumatra toen mijn moeder in verwachting was van mijn boertje Adriaan. Ze werd te moe om ons les te geven. Dus mijn zusje en ik gingen naar Bandoeng. We logeerden bij vrienden van onze ouders en gingen daar voor het eerst naar een echte school. Ik kwam in de zesde klas. Ik vond school erg leuk, niet moeilijk, ik kon makkelijk werken. Die schooldagen waren van zeven tot negen uur. Na negen uur was het te warm.
Op 28 juni 1936 werd ons broertje geboren. Adriaan Woldemar. Op de foto’s zie je ons staan; trotse zusjes in lichte zomerjurken, met keurige zijscheidingen in het haar, staand naast onze moeder, naast Kokki, wat onwennig starend naar dat nieuwe wezentje.
Aan het einde van de jaren ’30 zijn we weer teruggegaan naar Pagar Alam, mijn geboorteplaats. Die plaats ligt op een helling waar de frisse wind waait, dus daar was het klimaat heerlijk, daar kon je ’s nachts ook onder een deken slapen. We trokken weer in ons oude huis. Dat stond op palen, want we woonden tussen de wilde dieren. We moesten daarom elke avond voor donker thuis zijn.
’s Nachts kwamen ze de tuin in, de tijgers en de olifanten. Ik herinner me nóg het geluid dat de olifanten maakten als ze tegen de palen van het huis schuurden.
Bang? Nee bang waren we niet, welnee. Ik was alleen maar bang voor aardbevingen, we woonden vlakbij de nog werkende vulkaan Gunung Dempo. Dan moesten we onder het bed gaan liggen, had onze vader ons verteld.
In Pagar Alam hadden we, dat was heel bijzonder, een auto. Soms moest mijn vader geld halen, dan reden we over de ‘Sumatra Highway’ -een zandweg eigenlijk- met open ramen door het land. Ik vreesde wel eens dat de tijgers ons door die ramen heen zouden bespringen, maar die tijgers kwamen alleen ’s nachts.
Ik was inmiddels al ongesteld geworden. In Indonesië ben je als meisje al jong volgroeid. Ik weet nog dat ik naar Kokki rende, al dat bloed, ik vond het doodeng. Maar zij was heel blij. Ze legde niet echt uit wat er gebeurd was, maar ze zei: ‘Nu ben je een echte vrouw.’
Tien jaar was ik toen. En blijkbaar een echte vrouw.
Er was van alles langzaam maar zeker aan het veranderen, maar wat, wist ik niet. Als kind weet je niets van de grote veranderingen in de wereld. Maar dat er iets dreigde, snapten we pas later, toen we voor de tweede keer naar Nederland gingen.
Vlak voordat de Van Oldenbarnevelt het Suezkanaal binnenvoer, hoorden we dat de oorlog in Europa was uitgebroken. We zijn toen linea recta teruggekeerd naar Indië. Weg van de onrust en ellende.
Dachten we.