Hoofdstuk 5

Epiloog:
Het is mooi geweest

De eerste tien jaar in Nederland miste ik Indië verschrikkelijk. Ik ging ieder jaar naar de Pasar Malam in Den Haag. En thuis maakte ik een erg lekkere soto ajam.

Ernst en ik kregen drie kinderen. Guus, Rob en Erna.

Mijn zoon Rob zei laatst dat ik me heb weggecijferd voor mijn gezin. Omdat ik zo’n zorgzame moeder was. Dat kan zijn, maar wegcijferen? Daar ben ik te eigenwijs voor. Ik heb ‘gehoorzamen’ geleerd, om vervolgens mijn eigen plan te trekken.

Dat heeft denk ik alles te maken met mijn kampverleden. Dat heeft me geleerd nooit eten weg te gooien, spaarzaam te zijn. Een warmwaterkraan open laten staan tot het water op temperatuur is? Dat zul je mij nooit zien doen. Ik heb de bijkeuken vol extra spullen. Want je weet maar nooit of er weer oorlog komt.

Ernst overleed in december 2016. We zijn een aantal keren naar Indonesië geweest, hij vond het altijd een beetje raar dat hij kwart Indonesisch was maar het land niet kende. 

De eerste reis was in 1984. Die geur, toen ik uit het vliegtuig stapte, dat is onbeschrijflijk. Ik rook kretek -sigaretten die kruidnagelen ruiken- etensgeuren, afval, alles door elkaar, het is zo’n aparte lucht dat ik er geen woorden voor heb. Maar ik kwam weer thuis. We hebben geprobeerd mijn geboortehuis te bereiken op Zuid-Oost Sumatra, maar daar loopt alleen maar die zandweg naartoe, dat lukte niet. Ik heb Bandoeng teruggezien, we zijn in Batavia, nu Djakarta, geweest, we hebben in Soerabaja aangebeld bij ons huis, daar werd helaas niet opengedaan. Ik herkende het wel aan die witte muurtjes en de poel ernaast. Er stond een hek omheen. Dat was vroeger niet zo.

Ik had speciaal voor deze reis een cursus Maleis gevolgd. Maar dat Maleis leek in de verste verte niet op wat Kokki ons had geleerd. De taxichauffeur op Java verstond me niet eens.

Ik heb gezocht naar Kokki. Zij heeft, zo hoorde ik, nog een tijdlang gewerkt in het chique Hotel Homann in Bandung. Maar ze bleek al te zijn overleden.

‘Nostalgie is de weg weten in een huis dat niet meer bestaat.’ Dat schreef Rudi Kousbroek, die ook in Indië is opgegroeid.

Misschien is dat zo.

“Ik heb ‘gehoorzamen’ geleerd, om vervolgens mijn eigen plan te trekken.”

inds 1971 woon ik in Havelte, en in Havelte werd Holland leuk. De mensen zijn hier hartelijk. Ik ben van Nederland gaan houden. Ik houd van de seizoenen, het veranderlijke weer, de wind, de zon, de vallende bladeren.

De laatste tijd denk ik vaker aan vroeger. Dat zal de leeftijd zijn, of het feit dat ik besloten heb, mijn geschiedenis te vertellen.

Die geschiedenis heeft me niet verbitterd gemaakt. Mijn kampverleden heeft me nooit parten gespeeld, maar wel gevormd. Ik weet bijvoorbeeld direct wat ik aan iemand heb, of iemand te vertrouwen is of niet. Dat gevoel van die-wel-en-die-niet, heb ik hoofdzakelijk in het kamp geleerd. Dat is mijn Indische verleden. Zo heb ik bijvoorbeeld ook een bepaalde eerbied voor het zwijgen. Niet alles hoeft te worden gezegd.

Ik blijf optimistisch. Ik heb in mijn jonge jaren oorlog en geweld gezien, mijn grootouders zijn ervoor gevlucht, mijn vader heeft dankzij de morele boost van een cabaretier de verschrikkingen overleefd.

Oorlogen zijn verwoestend. En als ik nu de krant lees, zie ik wereldleiders de geschiedenis herhalen. Ik kijk de laatste tijd niet meer zo vaak naar het journaal. Nou ja, één keer per dag. Je moet wel op de hoogte blijven natuurlijk.

Mensen zijn in wezen goed.

Hun bázen deugen niet.

Hoe houd je nou je rug recht in dit soort tijden? Hoe zorg je ervoor dat het kwade je niet klein krijgt? Hoe voorkom je dat je bij de pakken neer gaat zitten? Mijn moeder noemde me een flink meisje, maar wás ik flink?

Tja.

Ik ben heus wel bang geweest. Vooral in de laatste dagen van het kamp. Als ik dat bord zag met de namen van doden en dacht: wanneer staan onze namen daar? Ik ken ook de wanhoop wel, op de zeldzame momenten dat er een vliegtuig over kwam en het dan toch niet onze bevrijders bleken te zijn.

Maar ik had een positieve moeder, dat scheelt denk ik. Een moeder die me heeft geleerd initiatieven te nemen. Blik op oneindig, hup, doorgaan.

Een goede familiebasis is belangrijk. En waarderen wat je hebt. Ik ben heel blij met mijn kinderen. Ik geniet van dierenprogramma’s op de televisie, de beelden van jonge dieren die bij hun moeder drinken ontroeren me. Ik houd niet meer zo van eten, maar ik geniet nog steeds van een kersenbonbon.

Ik heb geboft. Ik ben nog steeds blij dat ik er ben.

Zo.

Dit was mijn verhaal. Een verhaal waar ik nu een punt achter zet. Je kunt ook te lang in het verleden blijven hangen. Dat heeft geen enkele zin.

Het is mooi geweest.’’

Een beeld zegt meer dan duizend woorden…

Hoofdstuk 1

Russen moet je nooit vertrouwen

Hoofdstuk 2

Tempo Doeloe; mijn jeugd in Indonesië

Hoofdstuk 3

Het kamp: ‘Buigen moest je, zo diep mogelijk’

Hoofdstuk 4

Naar Nederland: ‘Hongerwinter? Maar één hongerwinter?’