Hoofdstuk 3
Het kamp: ‘Buigen moest je, zo diep mogelijk’
Dat er dingen veranderden, merkten we ook aan de sfeer bij ons thuis. Die werd grimmiger. Mijn vader was overgeplaatst naar Soerabaja, op Oost-Java, waar hij werd gestationeerd op het hoofdkantoor van de Koloniale Bank. Hij kreeg daar toen van hogerhand te horen dat het raadzaam zou zijn om lid te worden van de NSB. En hij heeft dat éven overwogen.
Maar mijn moeder was er zeer fel op tegen. Er was toen tijdelijk iets mis in hun huwelijk, dat merkten we als kinderen wel. Maar hij heeft het niet gedaan, hij werd geen lid.
In Europa was het dus al oorlog. We konden niet meer naar Nederland en dat deed mijn vader veel verdriet, want hij wilde zo graag zijn moeder, Johanna van Wijnen-Heeneman, nog eens terugzien. Dat is helaas nooit meer gebeurd. Ze overleed in 1943.
In Soerabaja woonden we aan de Reiniersboulevard, een brede straat met in het midden een tramlijn. Het was een geasfalteerde straat, je kon er heerlijk rolschaatsen. We woonden schuin tegenover het Darma-ziekenhuis en vlakbij de dierentuin.
Kokki en Djongos waren nog steeds bij ons. Kokki hoefde inmiddels niet meer Europees te koken voor mijn vader, want die had de Indische keuken toch ontdekt, toen hij in 1934 in Nederland was!
Hij had tot die tijd geen hap rijst gegeten, maar eenmaal in Nederland zei hij: ‘Het is tóch wel lekker…’
Wij kinderen wisten nauwelijks wat oorlog was. Het leven ging eerst zo zijn vreedzame gangetje.’’
De schrijfster Hella Haasse beschrijft in haar boek ‘Zelfportret als Legkaart’ het Soerabaja van die tijd in geur en kleur:
‘Rechte, nieuwe, pas-geasfalteerde straten, witte huizen achter palm-en pisangbomen, dichte heggen en gekalkte muurtjes. Tuinen vol kleur, van Canna’s en Bougainvillea en Boengoer als verfrommeld vloeipapier in pasteltinten (…)
Boven alles, verblindend licht, de hemel.
De geur van gemaaid gras en melatti, van overrijpe manga’s en doerians, van trassi en etenskruiden en de rook van houtskoolkamforen, de kookwalm van warongs langs de weg, de lucht van heet asfalt en kalimodder.’
‘’Alles leek dus rustig in dit aardse paradijs. ’s Avonds, als de hitte afnam, kwamen de satékarretjes op straat, dan speelden wij kinderen buiten. Wel gingen we naar school met een wadjang op ons hoofd, voor het geval er ‘iets’ zou gebeuren.
Op zeker moment gingen we niet meer naar school. We hadden een klein huisje in de tuin, waar onze lerares in woonde, zij heeft ons nog een tijdje bijles gegeven.
Maar plotseling werd mijn vader, net als andere mannen, gemobiliseerd voor de KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Dat vond ik wel beangstigend. Mijn vader was toch geen soldaat?
En op 11 januari 1942, ik was net een paar maanden geleden 14 geworden, viel Japan Indonesië binnen. Op 8 maart gaven de Nederlandse strijdkrachten zich over en een dag later trokken de Japanse soldaten Soerabaja in.
Ze zetten hekken om delen van de stad. Ons huis stond in de Darma-wijk, waar veel Europeanen woonden. Dat werd ook zo’n afgezet gebied. Ineens kwamen er hele gezinnen bij ons inwonen. Dat was niet leuk. De vrouwen maakten aldoor ruzie, ze scholden als viswijven naar elkaar. Ik heb mijn leven lang een hekel gehouden aan kijvende vrouwen.
Alle Nederlandse mannen werden gevangen genomen. Onze vader moest naar Malang, een plaats in Oost-Java waar heel veel interneringskampen waren. Eén keer hebben we hem daar bezocht. Hij stond achter prikkeldraad.
Mijn moeder was geen emotionele vrouw.
Maar toen huilde ze.
Kort daarna is hij naar Thailand overgeplaatst, om daar als dwangarbeider te werken aan de 415 kilometer lange Birma-spoorlijn, later bekend als ‘Dodenspoorlijn’, omdat er gemiddeld 75 mannen per dag stierven aan ziekte, uitputting en ondervoeding.
We hoorden eerst lange tijd niets van hem. Later kwam er heel af en toe een nietszeggend briefje: dat alles goed was. Dat moest natuurlijk, want de Jappen controleerden alle post.
Wim Kan, de cabaretier, zat ook in zijn kamp. Die gaf af en toe uitvoeringen en maakte zo de ellende iets draaglijker. ‘Wim Kan heeft mij in leven gehouden’, zei mijn vader later.
De Birma spoorlijn werd binnen 16 maanden voltooid. Het was zwaar en zeer gevaarlijk werk. Wim Kan beschreef in zijn dagboeken hoe zwaar het leven was van een dwangarbeider.’’
Om 9 uur in 't donker boven op wagen met rails gezet. Om 12 uu vertrek. Locomotieven kunnen geen stoom houden. Griezelige beweging. Rails deinen op en neer. ERg koud. Vonken branden gaten in laatste kleren. De achterconducteur ziet voorlopig geen moeilijkheden. Water innemen, stoom krijgen, wachten op passerende treinen. Aankomst kamp-km83 om 6 uur. Geen plaats meer in barak, dus in open vrachtwagen nog 1½ uur geslapen. Om 8 uur pap. Half negen aantreden. De meest-zieke, 16 mensen vertrekken al per truck. Ik blijf met 15 anderen, moeten bamboe halen voor japanse Keuken. Goed 'potje' met gunsten. Veel vlees, s'morgens en s'middags. Andere zieken moeten stenen uit rivier halen. Niet zo best. Gebaad om 5 uur. (net als trouwens kamp-km45 in grote rivier). Vroeg naar bed. 4 okt. s'morgens vertrokken om 9 uur met truck. Bar slechte weg. Tweemaal olifant gezien. Om 12 uur in kamp-km108, veeloude vrienden. Zeer slecht eten. Rijst met oebi, geen vlees. Bij overste Platte geweest voor Cabaret. Waarschijnlijk baantje. Eerst uitrukken, 5 en 6 okt. Mee naar de dijk. Stenen met Tandoe op bepaalde plaats gebracht. Om 8.30 uitgerukt, om 9.30 op kamp-km 113 aangekomen.(Thailand), na de drie pagodenpas gepasseerd te hebben(grens). Doorgewerkt tot 2 uur. Toen 'eten' gekregen in het bos. Rust tot 3uur. Doorgewerkt tot 6. Dachten de taak af te hebben. Maar Jap zei; tot 6.45. Toen met groot pak van Jap naar huis gesjouwd. Alles in grote haast. Gauw gaan baden onder miezerig straaltje. Gauw 'eten' halen en eten in het pikkendonker. Lig op het bed van 'Bos' die eergisteren stierf. Aardige vent. Maakte in Tjimahi een bed voor me. Sliep goed. 6 okt van 7.15 reveille, in donker pap halen, in 't donker eten. Om half negen uitrukken. Zeer zwaar werk. Zelfde spel, materiaal halen (schoppo's enzo) 5 km lopen naar het werk. Stenen sjouwen en tussen de rails gooien. Om half 8 thuis. Geen rijst genoeg en dus pas om half tien eten gehad. Alles pikdonker. Lazerde met pannetje en al languit in de slokan. Moest ondanks alles toch lachen. Was te moe om op m'n benen te staan, maar liet niets merken. Hedenmorgen malaria aanval, kon niet uitrukken en ging boswaarts om te schrijven en denk; wanneer, wanneer? Komt er nog ooit een andere tijd? Donkere barakken, armoede, vervuiling, geen tijd om iets te wassen. Ook geen water haast. En nu..... Aan het werk voor een vrolijke avond.
‘’Wij, mijn moeder, mijn zusje, broertje en ik, werden op de trein gezet naar kamp Halmaheira, in Ambawara. Dat was een stad op Midden-Java, ten zuiden van Semarang, er waren verschillende vrouwenkampen daar. Mijn broertje, toen 6, mocht gelukkig bij ons blijven. Zodra jongens 10 jaar waren, moesten ze naar de mannenkampen.
In Ambawara woonden we in de kleine huisjes van gegoede Indonesiërs, mensen die bijvoorbeeld een kantoorbaan hadden gehad. Dat klinkt misschien mooi, maar we woonden met ongeveer 40 mensen in zo’n klein huisje.
We sliepen overal waar maar plaats was, op de grond, zelfs op het aanrecht sliep iemand. Wij hadden een hutkoffer meegenomen en daar sliepen we om de beurt op.

“We sliepen overal waar maar plaats was, op de grond, zelfs op het aanrecht sliep iemand.”
Mijn moeder was een sterke vrouw. Gesloten. Ze had in haar leven al zoveel meegemaakt dat ze nooit het achterste van haar tong liet zien. Ze werd benoemd tot blokhoofd. Ze moest van alles regelen en dat vond ze beter dan piekeren.
Iedere morgen moesten we op appèl. Als je ziek was, werd dat gecontroleerd. Er woonden twee a drie bewakers in het kamp en sommige vrouwen heulden met hen. Je kon precies zien wie, want bij hen hing het maandverband te wapperen aan de lijn. Verder nergens, want de meeste vrouwen werden niet meer ongesteld. ‘Kijk’ zei mijn moeder dan. ‘Daar hebben ze goed te eten.’
Ons eten was slecht. ’s Morgens kregen we een soort waterige pap, net behangsellijm, ’s middags gekookte rijst met een soort soep erover en vijf blaadjes sla. Nooit vlees of eieren. Soms een stuk hond.
Nee, dat was niet raar, toen. Alle dieren die het kamp binnenkwamen, werden geslacht. Vogels werden uit de bomen gehaald en gekookt. Als je écht honger hebt, eet je alles.
Ik had vriendinnen in het kamp. Eén van hen was Hetty Schoorel, zij had ondanks het strenge verbod op huisdieren een klein zangvogeltje meegenomen. Zij heeft later het boek Tjoesmai geschreven over hoe dat vogeltje haar door de moeilijke tijden in het kamp heen hielp.
Hoe kom ik aan eten? Die vraag stond elke dag centraal. We vingen bekoks- een soort zeemeeuwen- we zochten slakken voor de zieken, die we kookten in kleine blikjes in de keuken. Ik werkte een tijdje in de keuken en dan smokkelde ik wat slakken mee om in de soep te doen.
Eens in de week kreeg je een klein blikje suiker. Mijn broer at alles altijd in één keer op en had dan de rest van de week geen suiker meer. Een keer liep hij blauw aan omdat hij de gevreesde acetonvergiftiging kreeg, zo genoemd omdat je dan heel erg naar aceton ging ruiken. Hij was bijna dood.
De Nederlandse arts in dat kamp is toen naar de Jap gegaan om te soebatten en die heeft mijn broer toen een kopje suiker gevoerd dat hij achter elkaar naar binnen moest lepelen.
De dood was overal. Oude mensen en kleine kinderen stierven. Mijn zus werkte op het land tussen oude zieke mannen en die zijn bijna allemaal gestorven. Er zaten zo’n 5000 mensen in dat kamp en slechts de helft heeft het overleefd. Bij de ingang van het kamp hing een bordje waarop stond hoeveel mensen er die dag waren gestorven. Ik dacht telkens: wanneer zijn wij aan de beurt?
Ik had een gevaarlijke leeftijd. Ik was net 14 toen ik het kamp inging, 17 toen ik eruit kwam. In Japan ben je met 15 jaar al volwassen. Dus alle jonge meisjes werden opgeroepen om ‘in een hotel te werken’. Meestal waren dat blonde meisjes, die moesten op drie verschillende dagen in een kringetje rondlopen in dat kamp en dan werden er elke keer een paar uitgezocht. Er was ook een keer een knap half-Indisch meisje bij, ze had mooie borsten. Daar was ik wel jaloers op. Zij werd ook uitgezocht.
Ik vond het prachtig! Ik wilde ook graag uitgekozen worden. Ik moest op zeker moment ook rondlopen en werd vervolgens opgeroepen om naar het hotel te gaan, maar daar heeft mijn moeder een stokje voor gestoken. Want zij wist, net als de andere moeders, wat daar gebeurde: die uitgekozen meisjes moesten in dat hotel wonen en zouden ’s nachts bezocht worden door de Jappen. ‘Troostmeisjes’ werden ze genoemd.
‘Ik ga in jouw plaats’ zei mijn moeder. Ik vond het jammer, maar zij was zó persistent.

Zij en ik hadden dezelfde voor-en achternaam: Irma van Wijnen. Zij was nog redelijk jong, 36, dus zij is toen in mijn plaats naar het veld gegaan waar die meisjes werden verzameld.
Toen de Jappen erachter kwamen dat ze de verkeerde Irma hadden, is ze zo hard geslagen dat ze doof werd aan een oor.
Ik ben verder niet meer lastiggevallen. Ze hadden mijn kampnummer niet genoteerd, dus ze dachten waarschijnlijk: laat maar zitten.
Ik was altijd vrij lang voor mijn leeftijd. Maar dat veranderde toen ook ik niet meer ongesteld werd, toen stopte mijn groei. We werden steeds zwakker. Mijn zus en ik kregen mazelen en we zijn ontzettend ziek geweest, we moesten in een apart huis liggen op een soort stapelbed. Toen dacht ik wel: Nu ga ik dood.
We aten niet, dus bijkomend voordeel was dat onze moeder en onze broer toen ineens drie porties kregen.
Maar we kwamen er bovenop. We waren sterke meisjes, we hadden een goede jeugd gehad.
De oudere kinderen, waartoe ik dus ook behoorde, moesten wachtlopen tussen de bamboe muren rond het kamp. Vier uur lang. En elke keer als je een Jap tegen kwam, moest je buigen, zo diep mogelijk. Vernederend vond ik dat. Maar het moest en je deed het. Iedereen zat in hetzelfde schuitje. Iedereen hield zich braaf.
De Indonesiërs wisten dat we honger leden en kwamen ’s nachts eten brengen door de kiertjes in de bamboeschuttingen, in ruil voor kleren die over de schutting werden geworpen. Onze moeder was eerst ook op zo’n manier aan een paar blikjes gekomen, maar ze was als de dood dat haar kinderen iets zou worden aangedaan. Want als je gesnapt werd, waren de straffen niet mis, dan moest je urenlang in de zon staan zonder eten of drinken. In de mannenkampen werden ze dan gewoon opgehangen. Dus mijn moeder was heel voorzichtig.
‘Je bent zo flink’ zei ze tegen me. ‘Een flink meisje.’
Zij was zelf ook gehard. Die mentaliteit, van afzien en doorgaan, is misschien onze redding wel geweest.
Op een dag kwamen er vliegtuigen over. Vliegtuigen? Dat vonden wij gek, die hadden we in jaren niet gezien. Ze hadden roodwitblauwe vlaggen. Maar we hoorden niets van de Jappen. Toen ineens kregen we een banaan.
Een banáán?
De kamparts waarschuwde dat we die niet helemaal moesten opeten, dat zou onze maag niet aankunnen. We kregen ook eieren.
Eieren?!?
Bleek dat de oorlog was afgelopen.
Nou ja, die oorlog dan.’’